Opening 'Desalniettemin, de Liefde' door Lex ter Braak

Locatie

Museum Jan Cunen
Molenstraat 65
Oss
Nederland
Phone: 0412-62 93 28
NL
12 apr 2015 to 20 sep 2015
Museum Jan Cunen
Molenstraat 65
Oss
Nederland
Phone: 0412-62 93 28
NL

Gijs Assmann 'Desalniettemin, de Liefde' Museum Jan Cunen in Oss, 12 april - 20 september 2015

Opening van de tentoonstelling 'Desalniettemin, de Liefde' door Lex ter Braak, directeur van de Jan van Eijk Academie in Maastricht en onder andere voormalig directeur van het Fonds Beeldende Kunst, Vormgeving en Bouwfonds, op zondag 12 april 2015. 

 

 

 

 

Goedemiddag, dames en heren, vrienden van Gijs en bovenal - indachtig de titel van de tentoonstelling -: geliefden van Gijs - en Gijs,

Desalniettemin de liefde – ik vind dit een mooie, rijk geschakeerde titel vooral ook door haar merkwaardige mengeling van gedistantieerde vormelijkheid en dagelijkse eenvoud. Ik wil dan ook graag wat om deze titel heen cirkelen en er over uitweiden – juist om haar mogelijke openingen naar de tentoonstelling te ontdekken.

Ik moest onmiddellijk denken aan de Pools-Canadese schrijfster Lisa Appignanesi. Zij schreef een uitputtend boek over de liefde, niet toevallig Alles over de liefde getiteld. Dit boek opent met een motto ontleend aan de Franse verlichtingsfilosoof Voltaire. En dat luidt: De liefde is een doek dat door de natuur is geschonken en door de fantasie wordt geborduurd.

Een zijdelingse blik op de uitnodiging voor deze tentoonstelling voldoet al om te zien hoe toepasselijk dit citaat is. Schokkerige rode borduursteken rijgen de woorden Desalniettemin de Liefde aaneen. Het geheel oogt nou niet meteen als een ferm statement, het zijn geen robuuste Romeinse letters gehouwen in onvergankelijk marmer. Eerder is het de voorzichtige, tastende kalligrafische beweging van een zoekende hand, een hand die terugdeinst voor wat zij al wikkend en wegend bij elkaar geschreven heeft. En met de zoekende hand vraag ik mij af of de woorden de slotsom vormen van lange slapeloze nachten, het beklemmende besef van wat onontkoombaar is? De liefde zelf of de gevolgen van de liefde?

Was het in marmer geschreven dan misten de woorden, en dat is de andere kant van het schrift, hun eigenheid: hun getalm en zachte getril, de schaduwen van donkere hoekjes waarin het geschrevene zich kan terugtrekken, de krullen en steken die de woorden weer uiteenrafelen, de kwetsbare losse draadjes. Het heeft het geheime en vluchtige van een bekentenis op bewasemd glas geschreven, zoals je ooit of misschien wel altijd de naam van je eerste echte geliefde met losse vinger op het bedampte keukenraam schrijft en zij en de liefde even werkelijk en werkelijkheid worden, even oplichten – en dat ook blijven, ook als de letters verdwenen zijn want wat geschreven is bestaat voor altijd.

Ik geloof niet dat ik overdrijf ik als ik zeg dat het tegelijk lijkt alsof de woorden met bloed geschreven zijn, alsof de fantasie van Voltaire het doek laat bloeden met haar borduursteken. Liefde en bloed zijn immers twee wezenlijk met elkaar verbonden begrippen: rood de kleur van de liefde en bloed, bloedrood, liefde vermengt bloed, is bloed, vrienden kunnen bloedbroeders worden, wie verliefd is voelt zijn bloed, wordt bloed, het kind als de bezegeling van de liefde wordt in bloed geboren en ‘mijn eigen bloed’ genoemd, - en dan sla ik bloedgeil, bloedmooi en bloedheet maar over evenals de eerwraak die verboden liefde in bloed smoort.

Maar uiteindelijk aarzel ik hier ook: het woord desalniettemin passeert al dit heetgebakerde en gepassioneerde. Hier is eerder toch sprake van de slotsom van de passie dan van haar ontregelende en vlammende begin; het woord vraagt om de rekening die na afloop gepresenteerd wordt. Desalniettemin is het woord van de conclusie: het is de liefde die…

die ja wat eigenlijk?  

uiteindelijk al bepalend, al doordrenkend en al afrondend is? En is het daarom ook de taak van het gedistantieerde, licht ambtelijke woordje desalniettemin om de grote woorden die aan alle kanten triomfantelijk hun kop opsteken er onder te houden? De grote woorden over eeuwige liefde, trouw tot in de dood, de onvergankelijke schoonheid van het bestaan, de almacht van de kunst. Nee, geen gegalm zegt Assmann met desalniettemin. Woorden mogen niet hol worden, niet de bronzen klankkasten zijn van retorisch gebeier. Zoals de meeslepende klok die de apostel Paulus in zijn brief aan de Corinthiërs zwaar over onze hoofden laat luiden: Had ik de liefde niet, zegt Paulus, het spreken van alle talen en die van de engelen zou mij niet baten. Alles verdraagt de liefde, vervolgt hij, alles gelooft ze, alles hoopt ze, in alles volhardt ze…

Ah, schitterend, zeker, en daarom miljoenen malen voorgedragen en overgeschreven. Maar voor ons sceptische modernen, mensen die weten wat de geschiedenis gebracht heeft aan valse verwachtingen en grootspraak, toch leeg, toch eerder zinnen om gedempt - desalniettemin geblust - te reciteren, om hooguit in losse borduursteken aan te brengen op het onvaste doek van onze liefde. Als we al woorden gebruiken om de liefde uit te tekenen dan als de aarzelende en tastende contourlijn om het kostbare en persoonlijke dat onherroepelijk, zo veel weten wij wel, zal verdwijnen.

En dat, zo schreef Plinius de Oudere in de eerste eeuw na Christus, was het begin van kunst: de intieme contourlijn om wat ons leeg achterlaat, om onze lege handen te vullen - een lijn om vast te houden wat anders voorgoed op zou lossen in de nacht van de verleden tijd. De dochter van Butados, een mooie Korintische maagd, was, zo gaat het verhaal, verliefd op een jonge man die op een zeker moment een reis naar het buitenland moest maken. Op de avond van hun afscheid zag zij hoe de lamp in de kamer zijn schaduw op de muur projecteerde - en liefdevol trok zij de contour van zijn gezicht na. Toen haar vader dat zag, vulde hij de lege ruimte in met klei – en zo waren twee kunstvormen geboren: de teken- en de beeldhouwkunst. Kunst is de leegte van de liefde vullen – vervullen!? Terwijl haar geliefde er nog is tekent Butados al het portret van het verlies. Het moet zijn afwezigheid ongedaan maken, al weet zij dat het portret nooit bij machte zal zijn dat te compenseren – en ook wetend dat het portret een ander leven, dat van de mijmering en van de herinnering zal krijgen. Het mooie van het verhaal is dat kunst, liefde, leegte en afwezigheid in elkaar overlopen en uiteindelijk een geheel vormen, zijn leegte wordt gevuld met het beeld van klei. Het is de liefde en het is het niet – het is kunst.

Geen kunst, kan je dus zeggen, zonder liefde en dat, daar ben ik na alle juist gemaakte omzwervingen zeker van, is ook wat de contourletters van de titel ons vertellen. Als we de zalen van Gijs’ tentoonstelling doorlopen dan kan ons dat onmogelijk ontgaan. U kent zijn werk, poesiealbumplaatjes van suikerzoete engelen en feeërieke wezens hoeven we, goddank, niet te verwachten.

De kern van de tentoonstelling is een verzameling kaarten, rond de 650 zelfgemaakte ansichtkaarten, zielskaarten beter gezegd, die Gijs elke dag naar zijn grote liefde stuurt. De beschreven achterkanten discreet tegen de muur genageld, de voorzijdes raadselachtig zichtbaar. Zij vormen een grote en zolang de liefde er is doorlopende contourlijn om wat zich anders niet laat vangen noch in woorden zeggen. Zij zijn het doorlopende bewijs van zijn bestaan, zijn toewijding, zijn kunstenaarschap in het teken van zijn liefde.

Die liefde vertaalt zich in zijn sculpturen, zoals de klei de contour van Butados’ geliefde vervulde. Voor deze tentoonstelling heeft Assmann ongeveer 50 sculpturen samengebracht waarvan negen nieuwe, assemblages van glas, textiel, brons, alumium, lood. Zij vragen in hun materiaal- en gedaanteveranderingen en hun barokke beeldtaal om nauwkeurige bestudering. Het zijn tekens van transformaties, van de cirkelende omzetting van het een naar het ander, van het ander in het een, van glas in brons, van concaaf naar convex, van banaal naar hooggestemd, van uitzinnig naar ingetogen, van ernst naar lol, van cliché naar nieuw, van concreet naar abstract, van liefde naar dood en dat dan allemaal ook weer vice versa. Alsof niets zichzelf kan zijn en alles aan verandering onderhevig is zoals in de metamorfoses van Ovidius – de liefdesverhalen waarin Arachne veranderde in een spin oftewel wol en Daphne in een laurierboom oftewel hout. Wie voelt in wol een godin, wie proeft haar in een vleug laurier? Wie herkent in de sculpturen van Gijs Assmann de portretten van zijn vrienden, bekenden en geliefden, helden als Popey the Sailorman? Die herkenning is ook niet nodig – de emblematische werking van de sculpturen is in hun concrete abstractie overtuigend genoeg. En alleen wie de subtitel van de portretten kent vanitassymbool weet dat in het portret liefde en dood samenkomen.

En die wetenschap laat ons ook weer anders naar de tekeningen kijken. Ik heb net gezegd dat die tekeningen dag na dag een doorlopende contourlijn om zijn geliefde trekken. De contourlijn is de door de tijd getekende grens die hij tekent niet zelf kan overschrijden, al tekenend sluit zhj zichzelf buiten. Pas als de hand stopt, sluit de lijn zich en bevindt de tijd zich aan de binnenkant om zonder mededogen huis te houden. In het tekenen strijdt de tijd tegen zichzelf – en daarom begrijp ik nu, zijn de letters rood – van het bloed dat druppelt van de met de borduurnaald murwgeprikte vingers. Elke dag weer steken, duwen zij de draden van de liefde door het doek van de fantasie. Wij zijn hier getuigen van  de tijd in strijd met zichzelf, van zijn wil tot fantasie, van zijn onophoudelijke beweging tussen leven en dood.

En al is time still on his side Gijs Assmann kent die dubbelzinnige en grimmige beweging als geen ander en confronteert ons daarmee in de witte en zwarte kamer. Deze twee contrasterende ruimtes tonen ons de achterkant van de liefde, haar keerzijde gespiegeld in het zwarte glas. Vanitassymbolen, verwijzingen naar de volheid van het leven en de leegte van de dood, emblemen van jaloezie en wraak hebben hier hun natuurlijke plaats. Dit zijn niet de vertrekken van de grote apostolische woorden; hier spelen de gevoelens hun eigen onhoorbare spel. En hoewel de kaarten zouden kunnen spreken en ons op weg kunnen helpen, zwijgen zij in alle talen. Zij weigeren de raadselen en geheimen van hun achterkant bloot leggen. ‘Is alles volgeschreven’, zei de dichter Leonard Nolens,‘zijn ook wij volschreven./ Iedereen zal ons weten.’

Zouden wij de kaarten van de muur halen en de achterzijde lezen dan is de ban gebroken en stormt de tijd als Durers apocalyptische ruiter de ruimte binnen om met een handbeweging de lijn af te breken en aan alles een eind te maken.

Maar de kaarten blijven ongelezen en de tijd bloedt,  – en waar de liefde duurt, de liefde, desalniettemin de liefde horen wij muziek. Daar ‘waar de stem die groots in ons schuilt verrijst/Terwijl wij staan te staren naar de ronde maan,’ zoals Wallace Stevens dichtte.

Ik dank jullie voor je aandacht.